Spelregelkennis quiz deel 2

Vraag 1. Terwijl het spel zich op het middenveld ontwikkelt, kijkt de scheidsrechter om en ziet dat in het strafschopgebied van partij A een verdediger een aanvaller slaat. Hoe reageert de scheidsrechter?

a. Hij zendt de verdediger van het speelveld door het tonen van een rode kaart en hervat het spel met een strafschop tegen A.
b. Hij zendt de verdediger van het speelveld door het tonen van een rode kaart en hervat het spel met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de verdediger de aanvaller sloeg.
c. Hij zendt de verdediger van het speelveld door het tonen van een rode kaart en hervat het spel met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal was toen de scheidsrechter het spel onderbrak.
d. Hij zendt de verdediger van het speelveld door het tonen van een rode kaart en hervat het spel met een directe vrije schop tegen partij A op de plaats waar de bal was toen de scheidsrechter het spel onderbrak.

Vraag 2.

Bij welke van de onderstaande spelhervattingen mag men dichter dan 9.15 m. bij de bal staan?

a. De strafschoppen die na afloop een beslissing moeten brengen.

b. De strafschop waarvoor de speeltijd wordt verlengd.

c. De indirecte vrije schop voor de aanvallende partij in het strafschopgebied van de tegenpartij.

d. De indirecte vrije schop voor de aanvallende partij op de lijn van het doelgebied van de tegenpartij.

Vraag 3.

Omdat vlak voor tijd een elftal achter staat, verlaat de doelverdediger, die eenzelfde kleur shirt aan heeft als de doelverdediger van de tegenpartij, zijn doel en trekt mee met de aanval. Hoe zal de scheidsrechter hierop reageren?

a. Hij laat het zonder meer toe.

b. Hij onderbreekt het spel en geeft de doelverdediger een waarschuwing door het tonen van de gele kaart, omdat deze hem niet heeft geïnformeerd.

c. Hij onderbreekt het spel en zegt dat de doelverdediger dat alleen mag, als hij het shirt van zijn elftal aantrekt.

d. Hij onderbreekt het spel zodra deze doelverdediger in de buurt van de andere doelverdediger komt, omdat verwarring kan ontstaan.

Vraag 4.

Wanneer een spelhervatting genomen wordt, moet de afstand tussen de spelers van de tegenpartij en de bal minstens 9.15 m. zijn. Wanneer moet de afstand groter zijn?

a. De veldspelers bij een strafschop.

b. Bij een hoekschop.

c. Bij een doelschop.

d. Bij een aftrap.

Vraag 5.

Bij een inworp gaat een tegenstander voor de inwerper staan, om het inwerpen te belemmeren. Hoe reageert de scheidsrechter?

a. Dat mag als de tegenstander stil staat en niet schreeuwt.

b. Dat mag als de tegenstander stil staat, niet schreeuwt en zich niet buiten het speelveld begeeft.

c. Dat mag nooit.

d. Dat mag niet, hij moet tenminste 2 meter afstand houden van de plaats op de zijlijn waar de inworp wordt genomen

Vraag 6.

De inwerper laat de bal per ongeluk vallen. De scheidsrechter ziet dit. De bal komt bij een tegenstander terecht. Hoe reageert de scheidsrechter?

a. Hij laat doorspelen, omdat hij de voordeelregel toepast.

b. Hij onderbreekt het spel en laat de tegenpartij inwerpen.

c. Hij onderbreekt het spel en laat dezelfde partij opnieuw inwerpen.

d. Hij onderbreekt het spel en hervat het spel met een scheidsrechtersbal.

Vraag 7.

De doelverdediger weet, daarbij geholpen door de harde wind, de bal vanuit zijn eigen strafschopgebied rechtstreeks in het doel van de tegenpartij te schieten. Wat kan de scheidsrechter beslissen?

a. Doelschop.

b. Scheidsrechtersbal.

c. Aftrap na geldig doelpunt.

d. Aftrap na geldig doelpunt of doelschop.

Vraag 8.

Uit een hoekschop wordt de bal tegen de paal geschoten. Voordat een andere speler de bal aanraakt, wordt de terugkomende bal door de nemer van de hoekschop via de doelverdediger in het doel geschoten. Wat beslist de scheidsrechter?

a. Hoekschop overnemen, omdat de bal tweemaal door dezelfde speler werd gespeeld.

b. Indirecte vrije schop op de plaats waar de bal voor de tweede keer werd gespeeld.

c. Het doelpunt wordt goedgekeurd.

d. Directe vrije schop op de plaats waar de bal voor de tweede keer werd gespeeld.

Vraag 9.

Een toeschouwer probeert de bal tegen te houden die in het doel dreigt te gaan tijdens het spel. Hij raakt de bal, maar deze verdwijnt toch in het doel. Hoe hervat de scheidsrechter het spel?

a. Met een scheidsrechtersbal.

b. Met een aftrap na geldig doelpunt.

c. Met een doelschop voor de verdedigende partij.

d. Met een indirecte vrije schop op de plaats waar de bal geraakt werd.

Vraag 10.

Een speler neemt een indirecte vrije schop vanuit zijn eigen strafschopgebied. De bal is in het spel, nadat:

a. Hij een afstand gelijk aan zijn omtrek heeft afgelegd.

b. Hij rechtstreeks buiten het strafschopgebied is getrapt.

c. Hij door een medespeler of tegenstander is aangeraakt.

d. Hij een afstand gelijk aan zijn omtrek heeft afgelegd en buiten het strafschopgebied is gekomen.

De antwoorden van de spelregel vragen van vorige week waren.

1.C
2.A
3.B
4.B
5.B
6.C
7.C
8.B
9.D
10.D

Succes, met de nieuwe vragen, Joep Groenewolt

Comments are closed.